Ze verwachten dat ik nu weer alles oppak. Dat ik, net zoals tijdens de chemo, de dag erna gewoon weer op mijn benen sta. Alsof moe zijn iets is waar je gewoon doorheen moet en alsof doorgaan altijd betekent dat het goed gaat. Maar niemand weet hoe het toen echt was. Niemand zag dat ik mezelf dwong om door te gaan terwijl ik kapot was. Dat ik dingen deed omdat het moest, niet omdat het ging. Dat ik me van binnen leeg voelde, uitgeput en gebroken, maar toch bleef staan, omdat ik geen andere keuze dacht te hebben.
De confrontatie met de omgeving
Niemand weet ook dat ik toen veel dingen niet onder ogen durfde te komen. Alles wat ik voelde, stopte ik weg. De angst, het verdriet, de impact van ziek zijn. Ik overleefde die periode op kracht en automatische piloot. En nu moet ik het wel onder ogen komen. Nu er meer rust is, komt alles pas echt binnen. Wat er gebeurd is. Hoe zwaar het was. Wat het met me heeft gedaan. Waar ik toen geen ruimte voor had, vraagt nu aandacht. En dat zien mensen vaak niet.
Ze denken dat het nu makkelijker moet zijn, terwijl het mentaal soms juist zwaarder voelt. Omdat doorgaan niet hetzelfde is als verwerken. Ik stond toen misschien op mijn benen, maar dat betekende niet dat ik oké was. En dat ik nu niet altijd kan wat anderen verwachten, betekent niet dat ik zwak ben. Het betekent dat ik eindelijk voel wat ik toen moest wegdrukken. Soms begint het echte herstel pas wanneer de overlevingsstand stopt.
Relatie en kanker
Ik merk dat ik vaak dingen wil doen, omdat mijn vriend dat ook kan. Alsof ik mee moet in zijn tempo, in wat hij doet en aankan. Niet eens omdat hij dat van mij verwacht, maar omdat het in mijn hoofd zo voelt. Alsof ik pas “normaal” ben als ik hetzelfde kan. Maar dat botst met waar ik nu sta na alles wat ik heb meegemaakt. Mijn lichaam en mijn energie zijn niet altijd hetzelfde als mijn wil.
En toch blijf ik soms over mijn eigen grenzen heen gaan in mijn hoofd, omdat ik het ideaal heb dat ik niet wil achterblijven. Ik heb wel een hele lieve vriend die juist zegt: “Dan doen we het niet.” Die rekening met me houdt en me niet pusht. En dat is iets om dankbaar voor te zijn. Maar toch kan ik het gevoel van balen niet altijd uitzetten. Omdat het niet alleen gaat om wat ik kan, maar ook om wat ik graag zou willen kunnen. Kanker doet meer met je relatie en met jezelf dan je van tevoren denkt. Het verandert hoe je naar jezelf kijkt, hoe je samen dingen doet en hoe je omgaat met verwachtingen.
Ook in remissie blijft dat soms nog aanwezig. Deze relatie begon ongeveer een maand voor mijn laatste kuur. Daardoor hebben we elkaar leren kennen in een periode waarin ik nog midden in alles zat. Dat maakt het soms zoeken naar balans. Naar wie ik ben in deze relatie, los van ziek zijn, maar ook met alles wat er gebeurd is. Ik leer nu dat het oké is dat ik niet alles kan zoals een ander. Dat mijn tempo anders mag zijn. En dat liefde niet zit in alles samen kunnen doen, maar ook in elkaar ruimte geven als het even niet lukt. Het is niet altijd makkelijk, maar wel echt. En stap voor stap probeer ik daar mijn plek in te vinden.
Mijn leven de laatste maand
Ik woon nu samen, dus ik ben uit huis. Dat klinkt voor anderen misschien als een normale stap in het leven, maar voor mij voelt het anders. Het betekent ook dat er niet meer automatisch iemand is die continu op me let of mijn grenzen bewaakt. Aan de ene kant geeft dat vrijheid, aan de andere kant ook verantwoordelijkheid.
“Toch ben ik niet helemaal alleen daarin. De mensen die dichtbij staan, of hebben gestaan, vragen nog steeds met regelmaat hoe het gaat. En dat is fijn, maar het betekent ook dat ik zelf moet blijven voelen en eerlijk moet blijven over hoe het echt met me gaat. Want niemand ziet alles van dichtbij.”
Naast alles is er ook een nieuwe fase begonnen: werken.
3 april ben ik weer gestart. Mijn laatste kuur was 23 januari. In mijn hoofd wilde ik weer door, weer meedoen, weer normaal zijn. Maar ik ben ook een beetje hard op mijn bek gegaan. Ik vroeg net iets te veel van mezelf. En dat is iets wat ik nu langzaam begin te leren.
Dat herstel niet alleen gaat over beter worden, maar ook over grenzen opnieuw leren kennen. Wat kan ik echt aan, en wat denk ik dat ik zou moeten kunnen? Het lastige is dat ik vaak verder ben in mijn hoofd dan mijn lichaam en energie kunnen bijhouden. Ik wil vooruit, ik wil niet achterblijven, ik wil laten zien dat ik het kan. Maar juist daarin zit soms de valkuil.
Toch probeer ik het niet te zien als falen. Ik leer ervan. Elke keer weer een beetje beter voelen waar mijn grens ligt. En accepteren dat opnieuw opbouwen niet in één rechte lijn gaat. Het is zoeken. Tussen zelfstandigheid en hulp durven toelaten. Tussen doorgaan en stilstaan. Tussen wat ik wil en wat nu echt kan. En stap voor stap probeer ik daarin mijn balans terug te vinden.